
Pandhuiswet 1910
Artikel 21
1
De termijn, bedoeld in art. 20, letter d , is niet korter dan zes maanden.
2
Indien het pandbewijs de bepaling, bedoeld in art. 20, letter d , niet inhoudt, is de pandnemer te allen tijde gehouden tot teruggave van het pand tegen ontvangst van de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is.
3
Indien de houder van een bank van leening een pand, waarvan de lossing verlangd wordt met inachtneming van den termijn, bedoeld in art. 20, letter d , of krachtens het bepaalde in het vorige lid, niet meer onder zijn macht heeft, is hij gehouden tot betaling aan den pandgever van hetgeen de geschatte waarde van het pand meer bedraagt dan de beleensom en hetgeen ter zake van de beleening verschuldigd is.
4
Indien het vermelde op het pandbewijs niet overeenstemt met het vermelde in het register, beslist de inhoud van het pandbewijs, zoolang niet de valschheid of de vervalsching van het pandbewijs is bewezen.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.